Konuyu Değerlendir
  • 0 Oy - 0 Ortalama
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
Uyum Sinavi Destek - Hollandaca
#1
TÜMCE ÇEVİRMELERİ


Gelecek Zaman*Aşağıda Şimdiki/Geniş Zamanda Verilen Tümceleri Gelecek Zamana Çeviriniz?

1.Ik studeer aan de Universiteit van Ankara.
>Ik zal aan de Universiteit van Ankara studeren.

2.Ze schrijft een brief aan haar moeder.
->Ze zal een brief aan haar moeder schrijven.

3.Ahu koopt een stuk kaas en 5 eiren.
->Ahu zal een stuk kaas en 5 eiren kopen.

4.Burak belt zijn vriendin in Amerika.
->Burak zal zijn vriendin in Amerika bellen.

5.Kerem snijdt de appel met een mes.
->Kerem zal de appel met een mes snijden.

6.Orhan luistert naar de radio.
->Orhan zal naar de radio luisteren.

7.Burak en Sema zingen een Spaans liedje.
->Burak en Sema zal een Spaans liedje zingen.

8.Ze eten in een restaurant.
->Ze zullen in een restaurant eten.

9.Het kind speelt met een speelgoed.
->Het kind zal met een speelgoed spelen.

10.Jullie moeten dit huiswerk maken.
->Jullie zal dit huiswerk moeten maken.

11.Erdal wil naar onze foto's kijken.
->Erdal zal naar onze foto's willen kijken.

12.Hülya moet met haar man naar Griekenland gaan.
->Hülya zal met haar man nar Griekland moeten gaan.

13.Ze maken geen fout.
->Ze zullen geen fout maken.

14.Ik kook een heerlijken soep voor mijn vriendin.
->Ik zal een heerlijken soep voor mijn vriendin koken.

15.Mijn tante in Duisland verkoopt haar huis.
->Mijn tante in Duisland zal haar huis verkopen.




Di'li Geçmiş Zaman*Aşağıda Şimdiki/Geniş Zamanda Verilen Tümceleri Di'li Geçmiş Zamana Çeviriniz?

1.Ik pluk de rode bloemen.
->ık heb de bloemen geplukt.

2.Zij fietsen de hele zondag.
->Zij hebben de hele zondag gefiets.

3.Wanneer trouwen ze?
->Wanneer zijn ze getrouwd?

4.Ik werk vandaag hard.
->Ik heb vaandag hard gewerkt.

5.Wij wandelen in het Amsterdamse bos.
->Wij hebben in het Amsterdamse bos gewandeld.

6.Ze pakt de nieuwe pen.
->Ze heeft een nieuwe pen gepakt.

7.Hij zet de koffers op de grond.
->Hij heeft de koffers op de grond gezet.

8.Ik plak de postzegel op de brief.
->Ik heb de postzegel op de brief geplakt.

9.Ik klop op de deur.
->ık heb op de deur klopt.

10.Elif hoort een stem.
->Elif heeft een stem gehoord.

11.Wij sparen veel geld.
->Wij hebben veel geld gespaard.

12.Hij speelt met en bal.
->Hij heeft met en bal gespeeld.

13.Hij reparert de boekenkast.
->Hij heeft de boekenkast gerapareerd.

14.Fatma kookt een heerlijke soep.
->Fatma een heerlijken soep gekookt

15.Hij verandert zijn woonplaats.
->Hij heeft zijn woonplaats veranderd.

16.Metin durf te vragen.
->Metin heeft durven te vragen.

17.Jan poest zijn schoenen.
->Jan heeft zijn schoenen gepoetst.

18.Wanneer trouwen ze?
->Wanneer zijn ze getrouwd?

19.De kapper knipt mijn haar.
->De kapper heeft mijn haar geknipt.

20.Het sneeuwt vandaag.
->Het heeft vandaag gesneeuwd.

21.Ertan behaalt hoge cijfers.
->Ertan heeft hoge cijfers behaald.

22.Kan zij in de ze zwemmen?
->Heeft zij in de zee kunnen zwemmen.

23.Wij praten met onze leraar.
->Wij hebben met onze leraar gepraat.

24.Demet danst met Burak.
->Demet heeft met Hakan gedanst.

25.Ersin komt vandaag op tijd.
->Ersin vandaag op tijd gekomen.

26.Waarom zit je op die stoel?
->Waarom heb je op die stoel gezeten?

27.Rod Stewart scheidt van Rachel Hunter.
->Rod Stewart is van Rachel Hunter gescheiden.

28.Zij herhaalt deze oefening 10 keer per dag.
->Zij heeft deze oefening 10 keer per dag herhaald.

29.Kunnen jullie de piano spelen?
->Hebben jullie de piano kunnen spelen?

30.Wordt Selçuk op 4 april zestien?
->Is Selçuk op 4 april zestien geworden?

Miş'li Geçmiş Zaman*Aşağıda Şimdiki/Geniş Zamanda Verilen Tümceleri Miş'li Geçmiş Zamana Çeviriniz?

1.We kopen dit huis voor 100.000 euro.
->We hadden dit huis voor 100.000 euro gekocht.

2.Serap begrijpt te docent niet.
->Serap had de docent niet begrepen.

3.Wanneer kom je naar Ankara?
->Wanner was je naar Ankara gekomen?

4.Kun je de deur van de garege verven?
->Had je de deur van de garage kunnen verven?

5.Blijven de toeristen in dat hotel?
->Waren de toeristen in dat hotel gebleven?

6.Wie repareert de auto van de directeur?
->Wie had de auto van de directeur gerepareerd?

7.Ze wacht op haar vriend voor het huis.
->Ze had op haar vriend voor het huis gewacht.

8.We reserveren een tafel voor vier personen.
->We hadden een tafel voor vier personen gereserveerd.

9.Ik stuur een pakje naar een vriendin in Rusland.
->Ik had een pakje naar een vriendin in Rusland gestuurd.

10.Waarom scheiden Hasan en Ayşe van elkaar?
->Waarom waren Hasan en Ayşe van elkaar gescheiden?

11.De eerste prijs gaat naar een ingenieur.
->De eerste prijs was naar een ingenieur gegaan.

12.Mijn hond,Kuki wil met het hondje van de buren spelen.
->Mijn hond,Kuki had met het hondje van de buren willen spelen.

13.Hij krijgt financiele steun van een rijke man.
->Hij had financiele steun van enke rijke man gekregen.

14.Hacer brengt haar gitaar mee.
->Hacer had haar gitar mee gebracht.

15.Ik volg cursus Nederlands bij een talencentrum.
->Ik had cursus Nederlands bij een talencentrum gevolgd.



Tamamlanmamış Geçmiş Zaman*Aşağıda Şimdiki/Geniş Zamanda Verilen Tümceleri Tamamlanmamış Geçmiş Zamana Çeviriniz?

1.Ik ga naar de kantine om iets te drinken.
->Ik ging naar de kantine om iets te drinken.

2.Hij zet zijn glas en de fles op de tafel.
->Hij zette zijn glas en de fles op de tafel.

3.We denken aan onze toekomst.
->We dachten aan onze toekomst.

4.Waar wonen de ouder van Emel?
->Waar woonden de ouders van Emel?

5.Ze leest een krant in de zitkamer.
->Ze las een krant in de zitkamer.

6.Wie wil naar de televisie kijken?
->Wie wilde/wou naar de televisie kijken?

7.Hij fietst elke dag naar het werk.
->Hij fietste elke dag naar het werk.

8.Ze studeert aan de Universiteit van Ankara.
->Ze studeerde aan de Universitei van Ankara.

9.De mensen maken veel lawaai in de gang.
->De mensen maakten veel lawaai in de gang.

10.Erkan Schaakt iedere dag met zijn vriendin.
->Erkan schaakte iedere dag met zijn vriendin.

11.De studenten luisteren naar de docent.
->De studenten luisterden naar de docent.

12.Ze zoekt een blauwe spijkerbroek en een witte trui.
->Ze zocht een blauwe spijkerbroek en een witte trui.

13.Serap maakt thee voor haar gasten.
->Serap maakte the voor haar gasten.

14.Orhan verft de fiets van Meryem.
->Orhan verfde de fiets van Meryem.

15.Ik stop de boodschappen in mij tas.
->Ik stopte de boodschappen in mij tas.



Gelecek Zamanın Öyküsü/Hikayesi*Aşağıda Gelecek Zamanda Verilen Tümceleri Gelecek Zamanın Öyküsü'ne Çeviriniz?

1.Ik zal voor de gasten een feestje geven.
->Ik zou voor de gasten een feestje geven.

2.Engin zal zijn broer komen afhalen.
->Engin zou zijn broer komen afhalen.

3.Çiğdem zal met haar dochter en man en reis naar Japen maken.
->Çiğdem zou met haar dochter en man en reis naar Japen maken.

4.Gülşan en Betül zullen samen naar een receptie gaan.
->Gülşah en Betül zouden samen naar een receptie gaan.

5.Zullen ze deze vogels niet voederen?
->Zouden ze e deze vogels niet voederen?

6.De monteur zal de auto van mijn neef repareren.
->De monteur zou de auto van mij neef repareren.

7.Zult u ons geen informatie geven over de computers?
->Zou u ons geen informatie geven over de computers?

8.Zal de bijeenkomst niet in Thessaloniki plaatsvinden?
->Zou de bijeenkomst niet Thessaloniki plaatsvinden?

9.Zij zal binnenkort stoppen met het roken.
->Zij zou binnenkort stoppen met het roken.

10.Zal hij zijn dure gitaar meebrengen?
->Zou hij zijn dure gitaar meebrengen?


Gelecekte Geçmiş Zaman
*Aşağıda Gelecek Zamanda Verilen Tümceleri 'Gelecekte Geçmiş Zaman'a Çeviriniz?

1.Hij zal morgen naar Amerika gaan.
->Hij zal morgen naar Amerika gegaan zijn. (veya: zijn gegaan)

2.Yasin zal mijn fiets repareren.
->Yasin zal mijn fiets gerepareerd hebben. (veya: hebben gepareerd)

3.Mijn moeder en vader zullen een verre reis maken.
->Mijn moeder en vader zulleneen verre reis gemaakt hebben. (veya: hebben gemaakt)

4.Hacer en Tarık zullen trouwen.
->Hacer en Tarık zullen getrouwd zijn. (veya: zijn getrouwd).

5.Zij zal haar tante bezoeken.
->Zij zal haar tante bezocht hebben. (veya: hebben bezocht)

6.Ik zal slagen voor het examen.
->Ik zal voor het examen geslaagd zijn. (veya: zijn gelaagd)

7.Zeynep zal een Nederlands eten koken.
->Zeynep zal een Nederlands eten gekookt hebben. (veya: hebben gekookt)

8.Ik zal om 12.00 uur thuiskomen.
->Ik zal om 12.00 uur thuisgekomen zijn. (veya: zijn thuisgekomen)

9.Zij zal straks afwassen.
->Zij zal straks afgewassen hebben. (veya: hebben afgewassen)

10.De studenten zullen het huiswerk maken.
->De studenten zullen het huiswerk gemaakt hebben. (veya: hebben gemaakt)



Geçmişte Tamamlanmış Gelecek Zaman*Aşağıda Gelecek Zamanda Verilen Tümceleri 'Geçmişte Tamamlanmış Gelecek Zamana Çeviriniz?

1.Hakan zal het geld storten.
->Hakan zou het geld gestort hebben. (veya: hebben gestort).

2.Ebru zal deze brieven sturen.
->Ebru zou deze brieven gestuurd hebben (veya: hebben gestuurd).

3.De politie zal de moordenaar arresteren.
->De polite zou de moordenaar gearresteerd hebben (veya: hebben gearresteerd)

4.We zullen een formulier invullen.
->We zouden een formulier gevuld hebben. (veya: hebben gevuld)

5.Hasan zal om 7.00 uur opstaan.
->Hasan zou om 7.00 uur opgestaan zijn. (veya: zijn opgestaan)

6.Ze zal naar İzmir verhuizen.
->Ze zou naar izmir verhuisd zijn. (veya: zijn verhuisd)

7.Ze zullen veel foto's maken.
->Ze zouden veel foto's gemaakt hebben. (veya: hebben gemaakt)

8.De trein uit Parijs zal vanavond aankomen.
->De trein uit Parij zou vanavond aangekomen zij. (veya: zijn aangekomen)

9.Demet zal haar hond wassen.
->Demet zou haar hond gewassen hebben. (veya: hebben gewassen)

10.Jij zal de bus missen.
->Jij
  




Bu konuyu görüntüleyen kullanıcı(lar):
1 Ziyaretçi